








Ontwerp
Hoe maak je een omgeving waarin essentiële vragen bovenkomen, waarin tijdelijke omstandigheden vervagen en fundamenteel besef groeit. Onderzoekers zijn als kunstenaars, zoekend naar essenties, niet alleen aan de laboratoriumtafel of in het atelier, maar vooral ook daarbuiten. Contact met medeonderzoekers, met de elementen, de natuur om ons heen, is minstens zo essentieel als het geconcentreerde onderzoek zelf. De verbinding tussen de gevraagde ruimten is dan ook zeker zo belangrijk als de gevraagde ruimte zelf. Het tussen, de samenhang, meestal geen bewust onderdeel van het programma van eisen, zorgt hopelijk voor dat contact en die ontspanning. De drie ruimtelijke basisbestanddelen van Agrotechnologisch onderzoek bevinden zich bij elkaar onder één dak. Eerst zijn er de studiecellen waar de onderzoekers, in afzondering en uitkijkend over het village green, fundamenteel nadenken en tot hypotheses komen. Vervolgens zijn er de laboratoriumruimten, gesitueerd op het noorden, waar op kleine schaal de eerste experimenten in werkelijkheid kunnen worden getoetst. Bij gebleken geschiktheid tenslotte, kan in de technologiehal op grotere schaal een proefopstelling worden gemaakt. De interaktie tussen de drie soorten ruimte is groot en minder lineair als hierboven geschetst. De ruimte tussen de onderdelen probeert bij te dragen aan ontspanning, op weg naar nieuwe concentratie. De centrale hal, bepaald door het over alle ruimtesoorten doorlopende dak, vormt de verbinding. Architectuur van verbinding, samenhang. De centrale hal als grote verbindende ruimte zorgt niet alleen voor een ruimtelijk contact tussen de drie ruimtesoorten maar vooral ook voor de functionele verkeersbewegingen. Door de kantoorvertrekken in vier lagen boven elkaar naar boven toe te laten uitkragen ontstaat een grote ruimte waarin bruggen en trappen de verbindingen vormen tussen de autonoom geconstrueerde gebouwdelen en tevens de nivo-verschillen tussen de verschillende verdiepingshoogtes kunnen opvangen. Door de uitkraging van de kantoorvleugel en het optillen van het lange dak komt over de volle lengte van het gebouw (140 m) royaal daglicht tussen de bouwdelen. De tocht van de studiecel naar het laboratorium is niet door een donkere gang maar door een heldere open ruimte. Daglicht herstelt in de dwaalruimte het contact met de omgeving en de seizoenen. Midden in de centrale hal bevindt zich als ondersteuning van het dak een rij vrijstaande kolommen die de ruimte naar de einden toe deelt maar ter plaatse van de beschouwer de breedte van de tussenruimte intact laat.Projectmedewerkers
Eric Meisner, Ton Gilissen, Ruud van der Kroft, Edwin Keeman, Sjef Bonnemaijers, Marten Hoogenhout.Publicaties
|
de architect jaargang: 27 nummer: 2 - 1996 tenhagen & stam bv |
|
cement jaargang: 47 nummer: 11 - 1995 stichting betonprisma |