








Ontwerp
6 mei 1995Het Rijksmuseum is een belangwekkend instituut.
Aan de rand van de oude binnenstad
en aan het hoofd van het nieuwe museumplein
bevindt het gebouw zich op een prominente plek.
Sinds de opening in 1885
is het uiterlijk gelukkig vrijwel ongewijzigd gebleven.
Het interieur echter is gaandeweg verstikt geraakt.
Vooral door het dicht bouwen van de beide binnenhoven
is de lucht en het licht uit het museum geperst.
Het prachtige concept van P.J.H. Cuypers met als motto
'Toute forme qui n'est pas indiquée par la structure
doit etre repoussée (Viollet le Duc)
is in zijn essentie aangetast: de structuur
De onderdoorrit met voorheen zicht op het inwendige
is een donkere tunnel geworden.
Als een mes snijdt de tunnel door het museum
en splijt de begane grond in twee afzonderlijke delen.
Het raakvlak tussen museum en het publieke domein.
is teruggedrongen en naar weerskanten weggedrukt.
Het ticketoffice werd zelfs naar buiten geperst.
De inmiddels ruim 1 miljoen bezoekers per jaar
moeten ontoelaatbare drempels overwinnen om binnen te komen
Eenmaal binnen volgt een vrijwel oriëntatieloze rondgang
zonder de voor een museum zo noodzakelijke ontspanning.
Het niet-kijken, de ontspanning,
de stilte in de muziek,
krijgt nauwelijks een kans.
De structuur van het gebouw draagt niet meer bij
aan plaatsbepaling en rust.
Het kijken is verplichte consumptie geworden.
Opvallend is dat in het werk van Cuypers, Peters en Berlage
vooral het ambachtelijke en decoratieve karakter beklijft.
De heldere organisatie, de ruimtelijke ontwikkeling, de structuur
krijgt vaak niet de aandacht die ze verdient.
Het Rijksmuseum heeft daar in de loop der tijd ernstig onder geleden.
Een helder concept, een heldere plattegrond is onder de
toenemende interne druk en vele ad-hoc beslissingen verdwenen.
Zou het mogelijk zijn deze ontwikkeling te stoppen
en mogelijk zelfs terug te buigen in de richting van de oorspronkelijke helderheid?
De recente planvorming voor het museumplein
kan een keerpunt betekenen voor het Rijksmuseum.
In deze plannen wordt het plein van niet-ruimte tot ruimte.
Van achterkant van diverse gebouwen tot verbinding,
van restruimte, van leegte, tot ruimte waaraan.
Het doorgaande verkeer snijdt er niet meer dwars doorheen
maar vindt z'n weg aan de randen, er omheen.
Het Rijksmuseum krijgt twee gezichten
naar de oude binnenstad en naar het museumplein.
Aan het hoofdeind van het plein
krijgt de onderdoorgang de functie van 'Foyer' toebedeeld.
Een publieke ruimte van waaruit het plein betreden wordt.
Dit is de kans om ook vanuit deze ruimte
het museum te ontsluiten,
een groter raakvlak te krijgen met de bezoekers
Ruimte voor kaartverkoop, entree, garderobe en foyer.
Toegang van daaruit naar restaurant, boekwinkel en gehoorzaal.
In het hart van het museum, verbindingsruimte, trefpunt,
geen donkere doorgaande tunnel met fietsen en bromfietsen
maar een verblijfsruimte met lucht en licht aan weerskanten.
De eerste uitnodiging tot verdere verkenning.
Een eerste stap terug naar de oorspronkelijke helderheid
bij de gratie van daglicht.
Projectmedewerkers
Piet Besteman, Ron Mayer, Eric Meisner, Jan Oudeman, Rob Pommerel, Frank Veltmeijer.Publicaties
|
masterplan ruijssenaars rijksmuseum publicatie: min. van vrom, rijksgebouwendienst jaar: 2000 isbn: 90-6611-822-9 |